Travel Blog

nov 02

Ticino: Bacchus’ favoriete kanton

Gepost in Inspiratie binnen Europa, Reportages | geplaatst door Jurriaan Teulings

Ticino is niet alleen het zonnigste, maar ook het feestelijkste kanton van Zwitserland. Behalve om film en muziek, draait menig festival vooral om traditionele specialiteiten als boerenkaas, salami, polenta en merlot. Om even bij te komen schuift men aan tafel bij landelijke grotti en op terrasjes aan water- of bergwand. Genot gegarandeerd.

 
Terwijl aan de horizon de luxe boulevard van Lugano zich in een steeds breder wordend panorama van bergen en water voegt, leun ik achterover, blik op oneindig, rozig van een vroeg glaasje witte merlot. Van alle plekken waar je kunt belanden na een lange nacht van uit de hand gelopen wijnproeverij, is het zonnig dek van een slome veerboot, midden op een schitterend meer, bepaald de beroerdste niet.

Op het gladde water onder het balkon van Italië – zoals de westkant van het Lago di Lugano ook wel wordt genoemd – resteert niets dan een uitzicht op weelderig begroeide hellingen en weldadige rust. Hoewel – zie ik daar straaljagers? Ja hoor. Met een halve seconde vertraging klinkt het gedonder van een tegemoetkomende formatie van drie stuntvliegers over het water. Ze scheren langs de flanken van de Monte San Salvatore, maken een scherpe wending boven de Italiaanse enclave Campione, en krassen een drietandig rookspoor door het hemeldak richting Monte Brè. Allemachtig. Zoveel actie had ik niet verwacht. Maar over dit soort onverwachte traktaties zal je mij niet snel horen klagen.

 
Zeker niet na gisteravond, toen mijn aankomst in Bellinzona samen bleek te vallen met de opening van Bacchica, een hoogtepunten op de lokale festivalkalender. Niet dat ik er ooit van had gehoord – het is zo’n feestje dat men voor zichzelf houdt. Ik herinnerde me Bellinzona als een slaperig, zeg maar gerust comateus dorpje onder de schaduw van drie Middeleeuwse kastelen. Lekker centraal, prachtig gelegen, maar daar was het dan ook wel mee gezegd. Althans, zo meende ik het te weten. Nu leek het wel alsof het halve kanton er op de been was. Ik informeerde bij de conciërge van mijn hotel tegenover het treinstation wat er aan de hand was. Wat zegt u, een wijnproeverij? Hmm. Vooruit, dacht ik nog, het is wat laat, maar ik zal eens poolshoogte gaan nemen – alles is hier toch op loopafstand. Dat bleek de laatste rationele gedachte te zijn geweest die me die avond ten deel zou vallen.

Ik had het kunnen weten. De naam Bacchica verraadt het eigenlijk al: het festival is gewijd aan de wijngod Bacchus, dé grote favoriet uit het Romeinse pantheon. Bij wijze van aftrap werd er op het centrale plein een fikse voorraad wijn uitgeschonken. Gratis wijn. Goede wijn. De producenten van lokale delicatessen hadden bovendien voor een degelijke bodem van brood, salades, kazen en voor al een enorme variëteit van salami gezorgd. Ik maakte kennis met kazen van hoge alpenweiden en kaasboerderijen om de hoek (zincarlin, heerlijke een kaas die tijdens het rijpen is overgoten met witte wijn was de grote favoriet); vele variaties op salami, lokale honing en de typisch Ticinaanse Luganighetta, een in een lange spiraal gedraaide varkensworst.

 
Bacchus mocht er trots op zijn. Rondom de oude wijnvaten – die her en der waren opgesteld als tafeltjes – werden tongen gesmeerd en taalbarrières doorbroken. Nieuwe vriendschappen werden gesloten, er werd gedanst, de optredens op de podia van de verschillende pleinen van het historische centrum van de stad kregen een steeds uitbundiger karakter. Het moet ergens rond het moment zijn geweest waarop men besloot de wijn niet meer per glas, maar per fles uit te reiken, dat het podium voor de kerk – waar het vooralsnog tamelijk folkloristisch aan toe was gegaan – werd betreden door een dame in een catsuit en een man in een glitterpak, die een op z’n zachtst gezegd een curieuze interpretatie van Madonna’s Like a Virgin ten beste gaven.

Dat men hier niet opkijkt van een flamboyante verschijning meer of minder moge duidelijk zijn. Bovendien is Bacchica nog niet half zo buitenissig is als Rabadan, Bellinzona’s versie van carnaval – met een koning in plaats van een prins. Dat ‘Rabadan’ een beetje als ‘Ramadan’ klinkt is geen toeval. Het woord vond zijn weg naar het Piedmontese dialect via de kruisridders, die huiswaarts keerden met verhalen over de nachtelijke festijnen van de islamitische vastenmaand. Sindsdien betekent het ‘ophef’ en ‘kabaal’. Van vasten, bidden voor zonsondergang en ander religieus ongemak is echter niets blijven hangen: het Rabadan van Bellinzona staat voor een groot aantal parades en een gemaskeerd bal, culminerend in Vastenavond, waarop de hele bevolking een enorme hoeveelheid risotto krijgt opgediend. Het is een van de grootste carnavals van Zwitserland.

 
Ook elders aan deze zonnige kant van de Alpen gaat men laat men zelden een gelegenheid voor een feestje liggen. Combineer Zwitserse vlijt met Zuid-Europese zwier en het resultaat is een welhaast obsessief jaarlijks schema van festivals. Het begint met het carnaval en feste campestri – een soort feestelijke boerenmarkten waarbij er een weekend lang wordt gegeten en gedanst in eenvoudige feesttenten, gevolgd door de paasprocessies van Mendrisio. ‘s zomers gaat er op de piazza’s rondom het rondom het Lago di Lugano geen weekend voorbij of er wordt wel ergens een jazz, pop, blues of klassiek concert georganiseerd in het kader van het Long Lake festival, terwijl de Zwitserse kop van het Lago Maggiore als een ware glamourmagneet werkt, met eerst het Jazzfestival van Ascona, en vervolgens het wereldberoemde filmfestival van Locarno.

Op deze zonnige nazomerdag vormt de luchtshow een waardig eerbetoon aan de laatste dagen van het festivalseizoen. Als we een kwartier later aanleggen in Gandria – het laatste dorpje voor de Italiaanse grens – is het rumoer inmiddels uit de lucht. Wat resteert door het bergopwaartse labyrint van straatjes en trappetjes van het dorp is niets dan vogelgezang. Mijn oog valt door het raam van een restaurantje – locanda Gandriese – met een piepklein balkonnetje boven het meer. Het besluit is snel gemaakt: hier wordt geluncht. Penne all’arrabbiata voor mij, penne con gamberetti e zafferato voor mijn gezelschap. Tomaatrood, saffraangeel, een toefje basilicumgroen: onze tafel heeft kleuren van de herfst, maar met het glaasje frizzantino erbij – een fris bubbelwijntje – smaakt het nog uiterst zomers.

 
In plaats van het veer terug te nemen, wandelen we terug richting Lugano over het Sentiero dell’olivo. Dit spectaculaire ‘olijvenpad’ slingert langs steile bergwanden met om elke hoek een nieuwe verrassing – kleine blauwe baaien omrand met grillige begroeiing en steile rotspartijen, met in de diepte dobberende bootjes en af en toe een dappere zwemmer. En veel olijfbomen uiteraard. Hoe dichter we Lugano naderen, hoe meer fabelachtige villa’s en luxehotels verschijnen – Lugano wordt niet voor niks het Monte Carlo van Zwitserland genoemd. Voorbij het einde van het pad takelt de funiculaire ons achthonderd meter omhoog naar de top van Monte Brè, die bekend staat als de zonnigste berg van Zwitserland. Aan de bergwand is ruim terras waar we uitrusten met een welverdiende espresso, en genieten van het majestueuze panorama. Van het terras is het slechts een kort tochtje bergafwaarts naar het kunstzinnige dorpje Brè, waar veel straathoeken en gevels zijn voorzien van een grote verzameling originele kunstwerken: houten installaties, muurschilderingen, standbeelden en modern glas-in-lood. En één kopie: een Mona Lisa, die achteloos in een emmer staat.

De volgende dag kunnen we met eigen ogen aanschouwen hoe de artistieke verfraaiing van het berglandschap op Monte Tamaro nog een stuk grootschaliger is aangepakt. Als skioord heeft de berg in het hart van Ticino nooit echt kunnen boeien: er bleef te weinig sneeuw liggen om echt de moeite waard te zijn, en met zoveel betere alternatieven aan de horizon leidde het een kwijnend bestaan. Maar dankzij creatieve ondernemers en de inzet van de sterarchitect Mario Botta draait de gondellift naar de top ’s zomers overuren. Het is inmiddels populair bij kinderen als een klein paradijs van tokkel- en racebanen; bij volwassenen voor een bezoekje aan de sublieme kapel van Botta: de Capella Santa Maria degli Angeli, die er als een massieve Middeleeuwse burcht precair op de rand de afgrond balanceert. Dit architectonisch meesterwerk is de weg naar boven meer dan waard: een symmetrische, brug-achtige constructie leidt naar een steile toren met trappen aan weerszijden, waartussen een heiligdom schuilt dat niet alleen vrome katholieken, maar ook devote kunst- en designliefhebbers op de knieën kan krijgen. Aan de voet van de berg wordt naarstig gebouwd aan nog meer vertier voor alle leeftijden: Splash & Spa Tamaro, een door een spaghetti van glijbanen omgeven sauna-, spa- en zwemparadijs dat in de loop van 2013 zijn deuren zal openen.

 
Tamaro lag mooi op de weg naar Grotto al Ceneri, een van de betere voorbeelden van een typisch Ticinaanse traditie: de grotto. Oorspronkelijk verwijst de term naar een daadwerkelijke grot waar ’s zomers kazen en wijn koel werden gehouden, en reizigers aan granieten tafels aanschoven voor een simpele doch stevige maaltijd van polenta en wijn. De wijn werd er traditioneel geserveerd in tazzini – aardewerken kommetjes. Tegenwoordig is een grot geen vereiste meer, en is de definitie van een grotto uitgebreid tot alle restaurants met een traditionele kaart in een landelijke omgeving. Oubollig is dat allerminst: de populariteit van de grotti is nog altijd onverminderd, en zelfs groeiende onder jonge Zwitsers.

De groene ambiance van het terras bij het Grotto al Ceneri is van het soort waar je met gemak een groot lui gat in je dag bijeen kan tafelen. En dat is precies wat men hier doet. Een lokale vriend vertelde me dat hij er regelmatig te vinden is op een luie zondagmiddag met een groep vrienden. Er gaat een gitaar mee, en na het eten wordt er gehangen en gezongen. Als mij de lunch wordt voorgeschoteld begrijp ik waarom: mijn polenta en brasato, een berg polenta met twee royale porties rundvlees, dwingt tot langdurig uitbuiken. En het traditionele toetje, torta di pane, is zo onweerstaanbaar dat er zelfs na de grootste maaltijd altijd plaats voor kan worden gemaakt.

Ascona, het plaatsje onder Locarno dat zich behalve met voornoemd jazzfestival ook onderscheidt met de hoogste concentratie vijfsterrenhotels van Italië, is een prima plek om eens te zien waar de basis van al het regionale lekkers ligt. Hier wordt de rijst voor de risotto verbouwd, de mais voor de polenta, en de druiven voor de wijn. We wandelen er langs het noordelijkst gelegen rijstveld ter wereld, dat behalve risotto ook speciaal rijstbier oplevert. In de wijngaarden groeit vooral de merlot waar Ticino bekend om staat (in zowel rode als witte varianten). Uiteindelijk komen we echter weer aan waar het allemaal mee begon: een uitgebreide wijnproeverij. Luchtshow, carnaval, festival of niet, daar is in Ticino nooit een excuus voor nodig.

Gepost in Inspiratie binnen Europa, Reportages | 473 keer gelezen

Tags:


Reacties

Geen reacties gevonden

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *