Travel Blog

jan 19

De Canadese Sunshine Coast

Gepost in Inspiratie buiten Europa | geplaatst door Jurriaan Teulings

Vlak ten noorden van Vancouver strekt Canada’s Sunshine Coast. Dichte regenwouden, verlaten stranden, fonkelende fjorden en smaragdgroene eilanden laten zich er lopend, rijdend, varend én vliegend verkennen. We doen het allemaal.

Tijdens de eerste overtocht kondigt de wildernis zich al aan met de wind. Die draagt niet alleen het zilt van de Straat van Georgia met zich mee, maar ook de frisheid van het unieke regenwoud dat in de verte langs de oevers strekt. Van dit zeldzame ecosysteem komen de laatste beetjes ter wereld behalve hier, ook in Chileens Patagonië voor. Toevallig zijn dat ook de uitersten van de Pan-Amerikaanse snelweg, een fabelachtige route die van de woestenij van Chili en de jungles van Peru, Ecuador en Colombia via Centraal Amerika en Mexico voert, en tenslotte langs de Amerikaanse westkust tot diep in Canada strekt.

 
Aan dit uiteinde heet de route Highway 101. De laatste 200 kilometer ten noorden van Vancouver worden onderbroken door diepe, stille fjorden, waar tuffende ferry’s de eindjes asfalt aan elkaar linken tot het eindpunt in het plaatsje Lund. We zijn nog met het rumoer van de stad in de oren de eerste ferry opgereden. Na de tweede ferry glijdt het laatste restje drukte al van onze schouders. Daarna worden de dorpjes langs de route worden steeds spaarzamer; de bomen steeds hoger. Het asfalt strekt als een grijs lint door een haag van torenend groen, met af en toe uitzicht op een kleine baai. Telkens als we pauzeren en de motor stilhoudt, stroomt de overweldigende stilte van de Canadese wildernis naar binnen. Buiten worden onze voetstappen gedempt door een roestbruin tapijt van dennennaalden. Er is geen zuchtje wind. De Straat van Georgia is zo vlak als een spiegel.

Als we in Lund arriveren is de keuken van een nabijgelegen restaurant nog nét open. Hoog op een steile oever overziet de ‘Laughing Oyster’ een maanverlichte baai. David Bowes, De joviale eigenaar en chef, vertelt ons hoe hij al op zijn 4e al oesters leerde te bereiden. Zijn vader raapte ze bij eb van het strand en kookte ze in het zand rond een kampvuur. “Je wacht gewoon totdat ze openen, en doet er een beetje boter, peper en een druppeltje citroen bij.” Het restaurant blijkt tevens dienst te doen als de muziekbar van Lund, en trekt een bont gezelschap van lokale muzikanten. Zo is er David’s vriend die vroeger nog met Jimi Hendrix heeft gespeeld. En een oude hippie die op een boot in de buurt woont. “Soms moet je hem wel eerst even onder de douche zetten,” grapt David. “Maar hij is echt heel goed.”

 
De volgende morgen maken we in het gezelschap van John Hermsen van Footprint Nature Explorations een wandeling door Okeover Arm Provincial Park. Het lage tij op het strand legt een rijke hoeveelheid oesters, schelpen en zanddollars bloot. Hoog boven ons spotten we kalkoengieren en arenden; op de grond een gele bananenslak zo groot als een sigaar. “De slak scheidt een verdovend slijm uit om roofdieren af te schrikken” weet John. “Je zou hem kunnen likken om het effect op je tong te voelen.” We slaan dit aanbod beleefd af, niet in de laatste plaats omdat de slak zich aan een banket van berenuitwerpselen blijkt te verlustigen. “Niet ouder dan een dag,” zegt John opgewekt, de versheid van de drol prijzend. “Heerlijk hoe dit woud je een lesje in nederigheid leert. Je staat niet langer bovenaan de voedselketen.”

Met die gedachte in ons achterhoofd brengen we de rest van de dag door op de Sunshine Coast Trail, een 180 kilometer lange wandelroute door torenende bossen, over bergtoppen, langs kustlijnen en talloze beekjes en meren. Het gematigd regenwoud is diepgroen en krankzinnig vruchtbaar; een met mos beklede baarmoeder van moeder natuur. Onder de stokoude woudreuzen zwerven beren, wolven en andere onplezierige karakters uit de annalen van Grimm. De aanleg van de route, de langste in zijn soort in Canada, is geheel met vrijwilligerswerk verricht. Dat kostte dan ook een aantal decennia. De architect van het project, Eagle Walz, vergezelt ons op een korte wandeling naar de eerste van 24 hutten die onlangs langs de route werden gebouwd.

Ongeveer halverwege loopt het pad om een stukje bos dat recentelijk is gekapt. De kale grond levert een akelige aanblik op, tussen het weelderige groen van de torenhoge Douglassparren in het aangrenzende woud. Deze zijn volgens Eagle’s inschattingen op z’n minst drie eeuwen oud – net als de reuzen die hier onlangs zijn geveld. Het is precies het aanzicht van zo’n ‘cut block’ geweest dat Eagle 25 jaar geleden het idee gaf om zijn Sunshine Coast Trail aan te leggen. Met als doel de lokale bevolking meer vertrouwd te maken met de fragiele schoonheid van hun wilde achterland.

Op de terugweg dreigt een onweersbui en is het bos donker en grimmig. We stuitten op een verzameling autowrakken langs het pad. Overwoekerd en half verteerd door onkruid, ogen de oldtimers alsof ze elk moment tot leven kunnen springen, als zombies van roest. Als de wind zachtjes door de carrosserieën huilt, merkt John op dat dit volgens de inheemse volken het domein van Dzunuk’wa is. We hebben het zwarte gezicht van deze reuzin al op totempalen gezien, met getuite rode lippen en wiegende borsten. De First Nations mythologie waar ze deel van uitmaakt is in deze streken nog springlevend. Volgens de legendes kondigt de reuzin zich aan met een ruisend ‘Hoeoe!’ en brengt ze rijkdom, maar rooft ze ook kinderen. Een vreemde combinatie wellicht, maar in tegenstelling tot de Grote Boze Wolf lijkt ze nog enigszins voor rede vatbaar.

 
Hoewel je je op de Sunshine Coast Trail diep in de wildernis waant, is de moderne wereld in feite nooit echt ver weg. Toch zijn er in dit gedeelte van de wereld nog echte pioniers. De spaarzame eiland-gemeenschappen in het noordelijke deel van de Straat van Georgia leven in bijna complete afzondering. Wie er wil komen, moet beschikking hebben over een boot of een watervliegtuig: wegen zijn er niet.

Nadat we met de ferry zijn overgestoken naar Vancouver Island en verder noordwaarts tot Campbell River zijn gereden, zijn we beland bij de laatste gemeenschap aan de Straat van Georgia die via de weg kan worden bereikt. Het is een slaperig dorpje rondom een begraafplaats vol totempalen. Achter een eveneens met totempalen gedecoreerd winkelcentrum vinden we een haven met object dat op zijn eigen manier heilig is: een DeHavilland Beaver watervliegtuig. Voor ingewijden zijn de Beavers de ultieme bush planes van voorbije tijden, en roept hun scherende geluid beelden op van steile bergwanden en woeste natuur. Ze stammen uit de tijden van de Korea-oorlog, waarin ze veelvuldig werden ingezet.

 
Wat voor vliegtuigspotters een genot is en bij oorlogsveteranen de tranen in de ogen doet springen, is Mike Farren echter niet meer dan zijn dagelijkse lastdier. De no-nonsense piloot laat zijn charterbedrijfje Corilair regelmatig belangstellenden meeliften op de postroutes langs de geïsoleerde eilandgemeenschappen, want naast een stapel brieven en een handjevol onderdelen is vaak nog best plaats voor passagiers. Wij treffen hem op zo’n dag, en voor we het weten wordt het nuttige met het aangename verenigd. Als het watervliegtuig opstijgt, is het water zo kalm dat we het moment dat de drijvers loskomen van het oppervlak nauwelijks opmerken.

Even later zweven we als een arend boven een smaragden archipel. We landen vier keer in afgelegen baaien, waar Mike even een praatje maakt met de beheerder van het lokale postkantoor. In de lucht maakt hij scherpe bochten en scheert hij laag boven het water tussen de rotskusten van dicht beboste eilanden. Vooral voor het spektakel natuurlijk, maar wellicht vindt de bushpiloot het ook wel aardig om de magen van zijn stedelijke passagiers een beetje op de proef te stellen. Dat gaat ons overigens prima af, met de ogen strak op de schoonheid van de Canadese wildernis gericht.

Gepost in Inspiratie buiten Europa | 708 keer gelezen

Tags: ,


Reacties

Geen reacties gevonden

Schrijf een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *